handmerk (drieëntwintig raadsels)

Tekst van Bart Vonck, lid van het Brussels Dichterscollectief, voor het project ‘Passages’ in de Griekse gemeenschap van Brussel.

bartvonck

(1)

Toen pleuris uitbrak is hij een buitenstaander

gebleven – knaagt nu al een tijd

aan hem.

(2)

Ze hebben het begeven onder de druk van de

feiten – naar een plek die nagenoeg buiten

de tijd staat.

(3)

Werkte er tergend langzaam aan, verkoos ontbering

boven fatsoen, tot het op het bot was bijgesneden

– waar ter wereld hij zich kan verstoppen zonder

bezoedeld, tot het allemaal is uitgewerkt: de zinnen

begoocheld.

(4)

Iets of ergens komt om en wordt gewist vóór het

zijn beeld bereikt. De nacht zijn plooien schikt,

zijn fonkelend fluweel – en in de spiegel opschrikt,

obsidiaan.

(5)

Hij sluit zich bij de raadselachtige binnenlanden aan.

Door feiten onbeperkt treedt hij eruit vandaan

– hem overwoekert een andere geschiedenis.

(6)

Komt water hem donker uitwissen, loopt

naar klaarte, overvolle boot – om

niemand te redden.

(7)

Aankomen aan de Hades met niets in de mond niet aangewezen;

de stroom kan hem tot de lippen staan – en zo de halfslaap

tegen het licht houden, en ondergronds spartelen in te karig

water, troggelen boven die diepte.

(8)

Onvoldoende zicht zwelt weer aan en daar een zekere

trots uit haalt, zeer aangescherpt; uiterst kalm en wel-

overwogen geen oorlog verklaard, weet zich erbuiten

te houden – leest nu vermoedelijk een boek.

(9)

In de hetere maanden zijn dat de echte moordenaars

niet, al hebben ze de baai gekaapt en nog een rist andere

rampen – geen tijd voor vlagvertoon en op de hoogte

keert hij zich inwaarts, instemming uit.

(10)

Niets eindigt nooit en de tijd is in zijn cel te vol; morgen

heeft geen einde, de vissen slapen in het meer en waken

over de derde vleugel van de engel – alles komt en gaat,

voor hem geen terugkeer; de weg is lang en hij blaast

de as van zijn schouders.

(Theo Angelopoulos, Het stof van de tijd)

(11)

Zet een stoel bij voor de avond, hij wil

mee-eten, drinkt zwarte wijn, in het holst

van zijn hart; straks straft de nacht hem af,

– hij moet met zijn duister nog door de dag.

(12)

Het staat niet meer in zijn schoenen, liefde,

beuzeling, tenzij in hout de lente door vasten

om het leven komt, het komt halen – bang

voor kanker leeft hij er de wereld op los.

(13)

Hem verliest de tijd een ledig onderkomen,

lijkt zijn glans kwijt, langzaam tot fragment

gestort – uit wat verdween biedt hij het hoofd,

jegens wie hij zegt te spreken vloekt het

opzichtig, hardgrondig.

(14)

Jagen is in de verte gesmeten, is af en toe

knap die schaduw, van het licht een soort

verdronken geknetter – hij geurt naar honing

en vers zweet, het schoon is hem mooi en zin

geeft af in de nacht.

(15)

En op dit evenwicht staat niets in lucht getekend overeind.

Daar waar wit de richel is tot op het koord versleten, schokt

alles tegen water aan – zoals hij in de dood een geboorte

tekort komt (om bijten in brood te verleren),

het grote vertrek waarvoor hij proviand voorziet.

(16)

Blindgeslagen in de verschijning van de reis,

hebben zij op mensen gejaagd (de opgelapte

draagt nog het vuur) – wild is hij nog achterna-

gezeten, verguisd over de grenzen heen:

wat het zingt kan hij het zingen niet aan.

(17)

Zij gingen kruipend ijs nog uit de weg en

schoven verder over elkaar; vogels in de regen

uitgezaaid, goedschiks, kwaadschiks – hij eet, hem

smaakt het klef, hij luistert, hem hoort het niet.

(18)

Ze stonden wel op stapel, ze maakten zich op, nu

liggen ze allerminst comfortabel tegen het maaiveld

– hij zit op een stoel het leven uit en rondom hem brullen

de planten van de droogte. Water buiten handbereik.

Hij haalt de avond in zijn ogen binnen, wordt ouder

dan zichzelf.

(19)

Wordt dit een geboorte die ze niet mogen laten liggen,

als ze aanhankelijk slapen, die toeloop van werkelijkheid:

alles in dat ene, kleine moment – het verste wat hij kan

bereiken, de grote ruimte die hem zeer ontvalt; bereik

dan wat hem bijblijft het verdwijnen in de netten van het

klamme zweet.

(20)

In wieren uitgeklaard water, aandachtigheid, staren,

uit dood losgetrokken, betekenissen liggen

voor het rapen – jaren later komt hij aan, toe-

name van onzuiverheid betracht.

(21)

Hier raakt zelfs een god buiten adem, diep in de schulden,

vergist zich van schepping, herschepping,

onafscheidelijk van onvoldaan – leek hij zijn hand

in de verte te gooien, weg van de aswitte huizen

waar de brand heeft gewoed, slaat

met zijn stok op de horizon.

(22)

Ach, lachenderwijs kom je nergens, ergens een herbergzaam

oord in tuitende oren, een blad valt op een mond,

zeer naar winters gehoor – ietwat onvast te been

werpt hij zijn schaduw vooruit, hangend

over de rand van de wereld.

(23)

Bart Vonck (Brussel, 2015-2016)

* het titelwoord ‘handmerk’ staat voor ‘bijzonder of algemeen teken ter vervanging van een handtekening bij iemand die niet kan schrijven’ en ook voor ‘paraaf’ (Van Dale).

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s